20. mei, 2016

Docente en moeder zijn wisselt zich als vanzelf af voor de klas

Het  is fijn weer af en toe voor de klas te staan. Van de week assisteerde ik een collega. Het betrof een drukke eerste klas kader. Ik kende de leerlingen niet. Vmbo leerlingen zijn doorgaans zeer nieuwsgierig naar de mensen en situaties om zich heen en zo ook naar mij.

Ze dromden zich om mij heen en stelden vragen die recht door zee waren. Ook zo herkenbaar voor deze leerlingen. Het hart op de tong. Ze wilden weten wie ik was, hoelang ik al werkte, waarom ik geen les gaf, wat voor ziekte ik heb of ik dood ga. Het was een geanimeerd gesprekje. Toen ik ze geruststelde dat ik niet van plan was om eerdaags dood te gaan. Floepte een jongen eruit dat zijn moeder dat wel was. Ik keek hem aan. Hij vertelde dat zijn moeder uitgezaaide kanker had en net over de 9 maanden heen was die ze van de artsen nog had gekregen.

Op dat moment ontstaat er een dieper contact. Ik werd geraakt door de helder blauwe ogen van de jongen en de nuchtere kijk op het feit dat zijn moeder dood gaat. Ik stelde hem nog wat vragen om te checken of hij hierin begeleid werd of hij bij iemand terecht kon en hoe hij er qua gevoel in stond. Dit deed ik uit oogpunt van mijn docentschap. Ik moest mezelf ervan verzekeren dat deze leerling een veilige bedding had. Daarna voelde ik verdriet opkomen. Mijn moederhart kwam aan de beurt. Deze lieve jongen zal opgroeien zonder zijn moeder. Ik vertelde hem dat zijn verhaal mij verdrietig maakte. Hij keek me aan en zei het maakt mij ook verdrietig, maar ik ben er nu wel aan gewend.

Hij stelde een vraag over de stof en plof we zaten weer in de klas.