14. jul, 2017

‘Ben jij bij iedereen dezelfde jij? Ik niet’….

Ik tast af met wat voor soort mens ik te maken heb. Dit doe ik niet expres dit gaat automatisch, ik kan het niet tegen gaan het is als ademen. Ik kijk en op basis van wat ik zie, schuif ik iemand in een categorie: intimiderend, niet noemenswaardig of aardig. Nadat ik heb gezien om te oordelen en in te delen, kan ik soms meerdere zintuigen erop loslaten. Het  is maar net zoals de situatie zich voordoet. Bijvoorbeeld:

Ik zit in de auto en ik sta voor het stoplicht. Ik ben de eerste auto, dat geeft altijd lichte spanningen bij mij, want ik wil normaal wegrijden zonder dat de auto afslaat of dat ik te  veel lawaai maak. Ook moet het wegrijden vloeiend en snel gaan, liefst sneller dan de auto ernaast. Als er dan iemand achter me staat in de categorie ‘intimiderend’, word ik nog meer gespannen. Ik kijk tegen dat soort mensen op. Staat er iemand achter me in een van de andere twee categorieën, dan is er niets aan de hand. Een ‘die kan ik hebben’ gevoel overmant me dan.

Als er meerdere zintuigen mee mogen bepalen,  zingt ook het gevoel een toontje mee. Als die mijn eerste besluit beaamt, dan is eigenlijk het lot al bepaald. Bijvoorbeeld:

In de personeelskamer zie ik een collega waarmee ik nog nooit heb gesproken. Ze straalt iets hards uit en voor mijn gevoel zit ze  op een heel andere frequentie dan ik. Ze hoort in de categorie ‘intimiderend’. Bij deze personen ben ik niet mezelf, weet ik niets te zeggen, we liggen meestal ook mijlenver uit elkaar wat ideeën betreft en ik heb steeds het idee dat ik me moet verdedigen. Toen ik eindelijk eens met haar sprak, bleek ze anders te zijn dan ik had gecategoriseerd. Ik voelde dat haar uitstraling een houding in stand moest houden. Haar onzekerheid voelde ik in ieder woord dat ze sprak. Meteen tuimelde ze uit de categorie ‘intimiderend’ naar ‘niet noemenswaardig’. Maar al die maanden ervoor, liep ik haar uit de weg had ik in mijn verbeelding een naar persoon van haar gemaakt die alles beter wist en op mij neerkeek. Nu was ze niet langer meer van belang. Niet dat ze onbelangrijk werd, maar ze was geen uitdaging meer voor mij, ik hoefde mijn persoon niet aan te passen of staande te houden bij haar. Ik kon mezelf zijn.

Ergens weet ik natuurlijk wel dat het mijn invullingen zijn en alle psychologische en spirituele verklaringen heb ik er ook al tegenaan gegooid. Feit blijft dat ik het blijft doen, net als ademen. Het maakt mij naar de buitenwereld toe misschien niet minder leuk, maar van binnen word ik weleens moe.