9. mrt, 2019

Als een diagnose je weer teruggeeft wie je bent

Er bestaan geen sprookjes. Niet in mijn hoofd en niet in het echt. Ik wist het niet. En nu weet ik het wel. Verlammend voelt het dat dit het dus echt is. Er is niets anders. Er is geen uitweg. Ik zit vast in het verhaal, het verhaal van mij dat niet van mij is. Ik besef dat een glazenbol zich over mijn leven heeft geschoven. Ik duw en druk om eruit te komen, maar het lukt niet. Nog even duurt het, nog even zit ik in een kleine bubbel van dat het toch allemaal verzonnen is. Het kan gewoon niet echt waar zijn. Maar dat is het wel.

Als ik alleen was, zat ik of in een stripverhaalplaatje of in een dikke witte wolk. In die witte wolk was alles in slow motion, heerlijk zacht en zwevend. Ik wisselde het gevoel af met de felle en duidelijke contouren van het stripverhaalplaatje. Dat plaatje liet me wild voelen en vlammend. De afwisseling van in beide plaatjes zitten, zorgde ervoor dat ik in een trance-achtig gevoel kwam. Mijn sprookjeswereld. Nu weet ik dat dit mijn vlucht uit de werkelijkheid was. Ik kon niet de stap maken die me alles deed beseffen en zien. Mijn wereld van het kleine meisje breidde zich voor me uit. Het gaf me een toevluchtsoord. Een schijnwereld waar ik oogkleppen kreeg en vergetelheid.

Dat er een einde aan mijn kleine meisjes wereld moest komen, begreep ik. Dat de stap naar volwassenheid zo groot was, bedwelmde me. Ik was verloren in een wir war van ongeschreven regels. Regels die ik niet kon lezen. Mijn wolk en stripverhaalplaatje waren lang verleden tijd. Ze waren steeds mistiger geworden tot op een ochtend ik hen niet meer kon oproepen. Woorden en zinnen van buitenaf drongen door in mijn belevingswereld. Ik sprak de taal niet en wist niet hoe ze te interpreteren. Radeloosheid overviel mij. Spartelend in ondiep water probeerde ik te zwemmen. Iedere dreun was een mijlpaal. Bracht me licht in de duisternis. Langzaam drong het tot mij door hoe je moest zijn in deze wereld. Wat er van mij verwacht werd. De dreunen bleven komen en ze maakten mij beurs. Van buiten wist ik mij nu staande te houden, maar van binnen was ik tot moes geslagen. Mijn fundament was onbetrouwbaar en ver weg. Ik moest vertrouwen op wat ik zag en mijn interpretaties. Ik vond het eng. Hoe kon ik vertrouwen als ik geen vertrouwen had. Hoe kon ik bouwen, als er geen stenen meer waren. Ik dobberde rond.

Sprookjes bestaan. Mijn sprookje in ieder geval wel. Samengeraapt dat wel en eigen gemaakt, maar desalniettemin een sprookje. Ik hervond mijn ikje van weleer. Ze was gegroeid en had zelf een fundament gemetseld. Er waren genoeg bouwstenen aangereikt om tot een eigen sprookje te komen. Ze was zichzelf weer tegengekomen in de lange weg die haar scheidde van haar kleine ik. Boosaardige stemmen en mensen en gebeurtenissen had ze overleefd en ze sprak de taal die ze zo moeilijk leerde. Maar nu had ze ruimte en gelegenheid ook haar eigen woorden een plek te geven.