25. apr, 2020

Tekst

 

Het blad en de zandkorrels

Bladeren badend in de hete zon glimmen als opgepoetste meloenen die op de markt naast de druiven liggen.

Het zand op het pad dat met schelpen bezaaid ligt, wroet zich tussen de spleetjes van haar sandalen en weet zich daar tot het einde van een zonovergoten dag.

Zweetdruppeltjes parelen over haar voorhoofd als ze haar voeten knarsend neerzet richting het dorp en de bladeren opzij duwt haar voorhoofd deppend met een klein kanten zakdoek.

Ze houdt haar hoofd iets schuin, zet dan haar kleine slanke voet op een trede van een oud vervallen stenen trap.
Ze grijpt nog naar het glanzende blad, voelt haar voet onder haar vandaan glijden en valt met haar handen voor zich uit na een glijdende stap.

s'Avonds zal ze over haar blauwe plekken wrijven als het zand uit haar sandalen in het hoge tapijt valt, wanneer ze haar sandalen uitdoet. Ze kijkt naar haar nagels, waar een groen randje iedere vinger glimmen doet.