25. mei, 2020

Gebroken glas

Ze vertelde dat ze kanker had. Het voelde onwerkelijk. Jaren hadden we een knipperlicht relatie en nu ik haar weer zag, ging ze dood.

Ik was net zwanger, de tweede en laatste keer in mijn leven. Zij had drie tot zes maanden gekregen. Ik keek naar mijn dochter, zij was negen maanden. Ze speelde zittend met een speeltje opgaand in haar eigen wereld. Ik was trots en blij dat zij haar zag en meemaakte hoe ik moeder was.

De maanden tot zijn geboorte heb ik veel gehuild. Ik had verdriet om wat was, om wat was geweest en hoe het had kunnen zijn. Ik voelde me niet dichtbij, ik voelde geen band, dat was door de jaren heen kapot gegaan. Ik wilde zo graag, maar het ontbrak. Iets wat gebroken is geweest, kun je alleen maar lijmen.

Het was broos onze band en toch was er diep verdriet. Vaak aaide ik over mijn bolle buik en vertelde het wezentje in mij dat mijn tranen niet door hem kwamen. Ik legde het hem uit en zong voor hem, maar het huilen stopte niet.

Twee weken na zijn geboorte was haar strijd voorbij. Mijn huilen hield op. Ik kon haar laten gaan. Geen wrok en geen spijt. Ik liet haar achter alsof ze in een ander leven thuishoorde. Ik was haar al zo lang kwijt.