25. mei, 2020

Een Delft blauw potje vol

In vroeger tijden luisterden ik en mijn zusje stiekem naar de geluiden uit de woonkamer. We hingen rond deze tijd samen uit het gat waar de laddertrap in uitkwam. We sliepen samen op zolder van een Amsterdamse woning. In ons huis was er in de achterkamer een gat in het plafond gemaakt. Zo ontstond er m.b.v. van de laddertrap een toegang naar onze slaapkamer.

We moesten plassen, maar mochten niet meer naar beneden. We hadden al een paar keer geplast en nu mocht het niet meer. Soms moesten we giechelen van het hangen en stil zijn. Dan hoorden we een strenge stem dreigend vragen of we wel in bed lagen. Stil, muisstil bleven we liggen. Tot we de tv weer hoorden en het moment weer voorbij was.

We gebruikten een Delft blauw potje, zo klein als een klein jampotje. We leegden het als het volgestroomd was, via het raam.

Jarenlang was dat ons geheim. We zaten nog op de basisschool en pas toen we al op onszelf woonden, vertelden we elkaar het verhaal, lachend tegen elkaar.

Nu zit ik in mijn woonkamer en kijk uit op de trap naar boven. Hier geen stiekem gehang, gegniffel omdat het best spannend was en de nood hoog. Een mooi, leeg gat. Ons gegniffel echoed in mijn hoofd.