20. jun, 2020

Tekst

Ze voelde in heel haar lichaam
dat er iets goed fout was.
Ze strompelde de trap af
en in de keuken verstijfde ze.
Door het raam zag ze,
doorweekt op het gras,
haar liefde.
De regen hard tegen haar voorhoofd,
haar armen zacht om hem heen.
Even wist ze helemaal niets,
ze was verdoofd.

Stil neuriede ze,
toen ze met hem
in de nacht verdween.
Samen op heel veel mooie dagen,
samen nooit alleen.
In de regen bleef ze tegen hem praten,
In de regen bracht ze hem
weer bij haar terug.
Ze voelde het natte gras
niet langer meer aan haar kleven,
na haar laatste zucht.