23. jun, 2020

Tekst

Mijn kamergenoot is een dame van in de tachtig. Zij is nog geheel zelfstandig en staat vrolijk in het leven. Ze heeft vriendinnen, familie en nichtjes. Geen kinderen en haar man is een tijd geleden overleden. We kletsen af en toe wat.

Ik kende haar niet, na morgen zal ik haar nooit meer zien. Gek, je deelt de wc samen, slaapt in je hempje naast elkaar, ze weet mijn gewicht en bloeddruk en ik die van haar. Ze houdt van zoetigheid op haar beschuit en leest een dik boek. Ze heeft een aandoening aan haar voeten waardoor de zenuwen langzaam afsterven, daarom heeft ze even geleden haar auto omgeruild voor een automaat.

De hele afdeling ligt vol met oudere mensen. Ik moest voor beweging in mijn darmen wandelen over de gang met mijn apparaat met slangen eraan, daarom weet ik dat. Oude mensen met buideltjes uit hun buik stekend, oude mensen die lamlendig de hele middag in een stoel bij het raam hangen, oude mensen die stil in bed liggen. De gang is kort, dus ik wandel maar wat heen en weer.

De mevrouw naast me mag straks naar huis. Ze moet over een tijdje weer terugkomen, hardnekkige poliepen. Ze haalt haar schouders op. Het was fijn geweest dat als ik thuiskwam, mijn man er zou zijn geweest, maar ja, hij is er al lang niet meer. Ze leest weer verder in haar dikke boek.

Morgen ben ik haar weer vergeten, want morgen leef ik mijn leven weer. Het ziekhuis brengt je even bij elkaar. Ik hoop dat ze nog lang geniet van haar vriendinnen en haar nichtjes. Ik ga maar weer even naar de wc.