5. jul, 2020

De regen in mij

Ik kijk door het raam neer op de kiezels van het platte dak. In Amsterdam gaat zo'n dak langs de huizen van vier verschillende straten en vormt zo een groot rechthoek. Je kunt het einde niet zien. Wij woonden dichtbij het begin van de straat, ik zag de duiven zitten op het randje van het dak. Ik hoorde ze en vroeg me af of ik in de toekomst nog kon denken aan duiven zonder dat dit moment er weer zou zijn. Dat is niet meer gelukt. Al kan ik het bijbehorende gevoel niet meer opwekken, gelukkig.

Verder terug in mijn kindertijd, in een andere stad en in een ander huis, keek ik ook door het raam. Ik keek naar de kleine achtertuin waarin de struiken troosteloos stonden. Op de achtergrond hoorde ik harde stemmen, ze verstomden als mijn kijken veranderde in staren. De hele zondag regendruppels tegen de ramen.

Een ander moment jaren en jaren later brengt me in mijn eigen huis. Een huis dat al lang niet meer van mij is. Ook hier kijk ik naar de druppels op het raam dat uitkijkt over tuinen. Ik hoor gehuil achter mij, niemand die het hoopje oppakt. Ik loop er zelf weer heen. En trek het kleine lichaampje in mijn armen. Samen kijken we naar de regendruppels, die eeuwige regendruppels.

Toen het moment kwam dat ik van de regen leerde houden, trokken de druppels mij niet langer het verdriet in. De regen werd gewoon weer regen en de druppels op de ramen schitterden. Geen zwaar gevoel dat op mij drukte, ik zag regen vallen en ik voelde me bevrijd.