10. jul, 2020

Tekst

Ik heb niet zo veel geduld. Ik merk het steeds vaker. Ik kan een leerling tot in den treure iets uitleggen, maar ik vrees dat het daarmee ophoudt.

Ik kan niet tegen wachten in wachtkamers, ik heb altijd het idee dat ik niet op de lijst sta en dat ik voor niets minuten lang aan het wachten ben.

In de supermarkt manoeuvreer ik mijn wagentje zo dat ik in mijn eigen tempo door kan lopen en in de rij hups ik ongeduldig van mijn ene been op de andere.

Vanmorgen werd ik op de proef gesteld. Reageer ik als een verstokte zuurpruim of niet? Uiteraard raakte mijn geduld na een kwartier op en op mijn blote voeten met enkel mijn badjas aan stiefelde ik naar buiten. Voor onze deur op de stoep tikte ik tegen het ruitje van de auto waarin de buurman zat. Ik vroeg hem vriendelijk of hij zijn motor af kon zetten, dat hij onder mijn slaapkamerraam stond te brommen. Hij wachtte op een collega, verontschuldigde zich en zette de motor uit. Uiteraard kon ik niet meer slapen.

Ik begon te malen over mijn geduld. Irriteer ik me sneller omdat ik door mijn autisme/ gevoeligheid meer oppik of ben ik een zeur aan het worden? Ik merk dat waar ik vroeger alles maar voor zoete koek slikte ik nu opkom voor mezelf. Als iets vervelend is, doe ik daar wat aan. Mijn grens is echter snel bereikt. Mijn man kan veel meer hebben en dat maakt dat ik dus twijfel of ik een zuurpruim aan het worden ben.

Maar dat het nu stil is in de slaapkamer, is wel erg fijn.