29. jul, 2020

Pompei

Ik kijk om me heen. De hitte laat de keien gloeien en mijn lichaam zweten. Het zand dat omhoog stuift, plakt tegen mijn benen aan. Ik wandel in eeuwen geleden, door kleine straten en langs grote huizen. Het vlees was er duur en de wijn goedkoop. Vesuvius staat fier aan de hemel. Ik zie prachtige pilaren en ik vang een glimp op van de statigheid van toen.

Ik heb twee blaren onder de rand van de bovenkant van mijn slipper. Met mijn hoed op slipper ik door vergane glorie. We zijn de weg kwijt, want de kaart klopt niet, maar ik vind het niet erg. Af en toe vang ik verhalen van gidsen op en ik zie de drukte van lang geleden voor me. Het volk wist niet dat ze in de achtertuin van een vulkaan woonde. Ze werden totaal verrast. Als je door het gruis en steen heenkijkt, zie je aan de houding van de armen hoe verschrikt hun gezichten moeten hebben gestaan voor enkele seconden, voor ze waren vergaan.

We kijken gefascineerd rond, onder de indruk van het natuurgeweld en van de beschaving van toen. De hitte haalt me terug naar het heden. De uitgang komt in zicht. We drinken water, heel veel water en we lopen nederig Pompei uit.